Hertme actueel
Het Kindeke Jezus in Hertme
(Uit de Katholieke Illustratie van 22 december 1962)
Als het herfstvuur van vlammend eikenhout en smeulend gouden beuken
is gedoofd en de bossen donker en ernstig worden onder de naderende
winter, wordt het Twentse land doodstil. De wereld wordt kleiner en in
de vroeg vallende avondschemering trekt elk dorp zich terug op
zichzelf. Dan gaat men in Hertme aan het werk. Tot 's avonds laat
wordt er op het kerkplein getimmerd en gezaagd, er worden vrachten
vers stro aangevoerd en de omheining van de schaapskooi wordt
gerepareerd. Tussen de vorstpannen van de oud-Twentse boerenstal wordt
nieuwe hei gestoken, in de beide imkenschoeren (bijenschuren) wordt de
verlichting geprobeerd, de ruif voor de os en de ezel wordt gevuld en
tenslotte komt het grote ogenblik, waarop alles voor de bewoners
gereed is. Het is dan enkele dagen voor Kerstmis. Hertme is een
wonderlijk dorp. Het ligt
betrekkelijk
achteraf, opzij van de rijksweg Borne-Zenderen en het telt slechts een
vijfhonderd parochianen. Desondanks weten jaar op jaar duizenden
vreemdelingen, sommige van ver over de grenzen, dit kleine dorp te
vinden. Dat komt door de pastoor, "heeroom" Veeger, een kalme
Groninger, die de nuchtere realiteit van de noordeling paart aan een
artistieke bewogenheid, die hem steeds weer tot nieuwe experimenten
verleidt. Hij is lang pastoor geweest in Lobith, zag er tijdens de
oorlog de kerk verwoest worden, die hij zelf had gebouwd, bouwde na
1945 alles weer op, nieuwe kerk, nieuwe pastorie, nieuwe school, maar
vond toen dat hij het wat rustiger aan moest gaan doen. Over dat
rustig aandoen heeft hij echter zo zijn eigen opvattingen, want
nauwelijks
kwam
hij in Hertme (1952) of hij ontdekte achter zijn pastorie een bos en
een weidelandschap, zo mooi, dat ze naar zijn mening eenvoudig om een
openluchttheater vroegen, Dus bouwde pastoor Veeger een uitstekend
geoutilleerd theater met tweeduizend zitplaatsen. Met de kerstgroep
begon hij in 1958.
De groepen in Limburg brachten hem op het idee, maar over wat hij
daar aan beelden had gezien, was hij niet erg enthousiast. Dus
boetseerde pastoor Veeger ze zelf, alle koppen en alle handen, gewoon
in zijn werkkamer. "Die koppen", zei hij, "waren niet zo moeilijk.
Wanneer ik eenmaal een idee had, kwam het er meestal dezelfde avond
ook wel uit. Handen zijn in zekere zin veel moeilijker, eer je die
eens goed hebt!" Uiteraard moesten zijn scheppingen eerst gebakken
worden en ondanks al zijn relaties duurde het vrij lang, voordat hij
een oven had gevonden, die dit kon. Met vijftien koppen en dertig
handen, uiterst zorgvuldig
ingepakt,
reisde hij tenslotte naar een steenbakkerij in Ochtrup (Westfalen) en
declareerde enkele weken later met een ernstig gezicht zijn steen
geworden scheppingen opnieuw aan de Duits-Nederlandse grens. Een
probleem apart vormden de levensgrote figuren, waarvoor de klei
eenvoudig niet aan te slepen zou zijn geweest, Daarom vormde hij deze
lijven van stijf ijzerdraad, zat weken lang elke avond te passen en te
buigen en soldeerde honderden stukjes aan elkaar. Het succes van zijn
kerstgrot was zo groot, dat hij het aantal figuren later nog
uitbreidde. Voor het bakken van de nieuwe koppen had hij inmiddels een
adres in Deventer
gevonden,
terwijl als lijf gewone etalagepoppen dienst deden. Het waren wat
stijf gelede afdankertjes, maar pastoor Veeger zette er
resoluut de zaag in, knikte ze in de juiste houding, waarna hij met
behulp van gips de operatiewonde weer dichtmaakte. Aan oosterse
kleding ontbrak het hem niet dank zij zijn passiespel. Alleen bleek
het een bezwaar, dat de figuren buiten voor de grot tijdens een
bijzonder natte kerst volkomen dreigden te verregenen. De oplossing
van . . . . plastic regencapes was weinig bijbels en daarom zag hij
uit naar een mogelijkheid om de hele kerstgroep onder dak te brengen.
Hij vond die in een oud-Twentse schuur en een tweetal daaraan
grenzende stallen, waarin imkers vroeger hun bijenvolken plachten
onder te brengen. Het tekent de man, dat hij voor de bouw van dit brok
eeuwenoud landelijk Twente een Almelose architect, de heer Jan Jans,
in de arm nam, die een expert is in alles wat Twentse boerderijbouw
mag heten. Al het hout, alle dakpannen met de daartussen gestopte
bosjes hei, de hele inventaris is volkomen authentiek, doorgaans
afkomstig
van afbraak. En als de pastoor voorgaat om ons zijn kerstgroep te
laten zien, blijft hij zo nu en dan staan om op een zware balk te
kloppen: "Allemaal echt eikenhout, misschien honderden jaren oud . . .
" Het is een vreemde ervaring tussen al die levensgrote beelden te
lopen, de knoestige herders half in de schemer van de imkenschoer, de
vorstelijk aangeklede Wijzen, een zichtbaar gelukkige Maria, een
beschermende Sint Jozef, het Kind, gebed in een overvloed van vers
stro . . . . Enerzijds is dit alles natuurlijk zeer vertrouwd, maar
het is hier geplaatst in het eigen licht en donker van het goede
Twentse platteland en is omgeven door al de eigen geluiden van de
schemerende winteravond en dichtbij is de warme reuk van levende
dieren. En dat is de opzet van pastoor Veeger: het kerstgebeuren
levend midden in zijn parochie brengen, er opnieuw de realiteit van
maken, die het elk jaar weer moet zijn. De mensen van Hertme bij deze
werkelijkheid brengen, de bezoekers van heinde en ver - soms telt men
er honderd auto's per uur, waaronder veel met een Duits nummerbord -
vertellen, dat hun
verlossing
zo begon. Ergens achter het grote houten wiel van een oude Twentse
boerenwagen lag een herder uitgeput te slapen. Zijn hoofd, half in het
stro verborgen, was bedekt door een doek en de sportkousen aan zijn
ongeschoeide voeten vertoonden grote gaten. "Die moet van heel ver
gekomen zijn," zei pastoor Veeger. "Kijk maar naar die gaten . .
. . . Ik wil u wel verklappen, dat hij ook geen kop heeft, maar dat
zie je niet door die doek. " Ook dit jaar anno 2011 zal de kerstgroep
weer tot na Driekoningen te zien zijn, 's avonds verlicht. Men heeft
zelfs een heel nieuw plein aangelegd, genoemd naar de schepper van dit
unieke tafereel, zodat geen enkele bezoeker zich de . . . . . gaten in
de sokken hoeft te lopen. En ongetwijfeld zullen weer duizenden voor
dit met zoveel Twentse vroomheid verbeelde mysterie het hoofd buigen.
Als ze dat tenminste niet . . . thuis gelaten hebben bij aardser
beslommeringen . . .

