Vanaf de
Reformatie tot de stichting van de parochie
De
Reformatie of Hervorming, de grote beweging in het christendom in de
zestiende eeuw, is ook aan het kleine Hertme niet zondermeer
voorbijgegaan. Hoewel de loop der geschiedenis leert dat de opvattingen
van de Reformatie nooit post hebben gevat in Hertme, had de beweging wel
degelijk invloed op het katholiek-zijn in het Bornse Kerkdorp.
Voordat Maarten Luther, de kerkhervormer, op 31 oktober 1517 zijn
95 stellingen over de omstreden aflaat aan de deuren van
de slotkerk in Wittenberg spijkert, zijn Borne, Hertme, Zenderen
en Bornerbroek een parochie die bekend staat als de St. Stephanus.
En is Borne nu het bestuurlijk
centrum van Hertme en Zenderen,
toentertijd was Borne het kerkelijk centrum. De kerk uit die tijd
staat er nog steeds, de
huidige Nederlands Hervormde kerk of Oude
kerk. (foto rechts) Een gebouw dat de stormen der tijden glansrijk heeft
doorstaan. In de
tweede helft van die bewogen zestiende eeuw zijn er twee pastoors
die de verantwoording dragen voor de zielszorg in de Stephanus
parochie: Petrus van Straelen en Johannes Nijhof. Als katholiek
staan ze niet bijster stevig in de schoenen. Gesteund door de heer
van het nabijgelegen
Weleveld,
(foto
boven) Christoffel van Scheele en mogelijk beducht voor de gevolgen van
het uitroepen van de Republiek
der Zeven Verenigde Nederlanden, zweren ze hun katholieke geloof
af. Of zoals pastoor B.P. Velthuijsen zo prachtig schrijft in het
boekje Het eeuwfeest van Hertme en Senderen: 'Zij voerden
hunnen kudde op de wegen der dwaling'.
Het is rond 1600, de tijd dat de
Republiek onder leiding van Prins Maurits en van Oldenbarnevelt,
de hervormde leer als de enige officiële kerkelijke stroming
uitroepen. En de roomse gelovigen verliezen niet alleen hun
Godshuis, maar ook hun priesters. Geheel herderloos is men in die
jaren echter ook niet: Van tijd tot tijd komen er heimelijk vanuit
Oldenzaal en Duitsland priesters naar deze streek om de bevolking
die de reformatie niet wenst te volgen, 'van vrome woorden te
voorzien en in het nachtelijk uur in duizenderlei gevaren de
verweesde kudde bij te staan'. Zonder moeilijkheden is dat
allerminst: In 1615 vraagt de heer van Weleveld, een papenhater,
zelfs steun van de Drost tegen de geestelijken die elke zondag
vanuit het door Spanjaarden bezette Oldenzaal naar Borne komen om
de Heilige Mis te lezen. In 1648 wordt,
door
de Vrede van Munster, de Tachtig jarige oorlog beëindigd
(foto onder, Vredesverdrag van Münster). De Republiek der Zeven
Verenigde Nederlanden wordt onafhankelijk van Spanje en het Duitse
Rijk. Voor de katholieken betekent het echter geen vrijheid van
godsdienst: het Calvinistische bestuur van de Republiek legt de
katholieken daartoe teveel beperkingen op: men wordt uit het
openbaar bestuur geweerd, het openlijk belijden van de godsdienst
was verboden en kerken werden door de Hervormden in bezit genomen.
Het heeft de opkomst van de schuilkerkjes tot gevolg.
Ook
in Hertme ontstaat zo'n kerkje: op het Groothuijs. En vanuit
Duitsland worden onder strikte geheimhouding priesters gehaald om
er godsdiensten te houden. Pas in de tweede helft van de
zeventiende eeuw brengt de Bisschop van Münster, Christoph
Bernhard von Galen, die de twijfelachtige bijnaam 'Bommen Berend'
draagt, de verlossing. Hij valt zowel in 1665 als in 1672 Twente
binnen. En achter de soldaten van het bisschoppelijke leger trekt
een tweede leger Twente binnen: priesters die uit alle macht de
katholieke kerk in ere herstellen in deze streken. Ondermeer in
Delden waar naast pastoor Eylers de jonge pastoor Gerardus
Potcamp (foto links) arriveert. Hij vertrekt in 1665 naar Borne en is dan de
eerste wereldgeestelijke na de Reformatie in Borne. Borne is hem
overigens niet onbekend; hij was er, 23 jaar eerder, geboren. Als
in 1674 de Münsterse troepen Twente verlaten, wordt de situatie
voor de geestelijken opnieuw onhoudbaar. De beide herders van
Delden en Borne moeten hun schapen alleen laten en vertrekken weer
naar het veilige Duitsland. Vanuit Altstede komen ze echter regelmatig terug om hun roomse
dorpsgenoten te voorzien van vrome woorden en zielzorg. Het is
vrijwel zeker dat Gerardus Potcamp van tijd tot tijd op 't
Groothuijs in Hertme de Heilige Mis opdroeg. Hoewel het nergens
staat geschreven, wil de overlevering dat dit gebeurde in het
toenmalige koetshuis, het huidige Spookhuis. De juiste locatie van
de godsdienstoefeningen mag dan niet geheel zeker zijn, vast staat
wel dat er diensten worden gehouden.
In Deventer, in
april van het jaar 1667, wordt de classicale vergadering
gehouden,
waar mopperende predikanten zich ergeren aan de 'Paepsche
Stoutigheden'. Gesteld wordt ondermeer '........dat de papen ter
Hoente, Overgouw, van Leiden, Voorst, Eylands en andere te Saasveld,
Hartman (huidige Hertme), Albergen, Geesteren, Dulder en overal in
Twenthe, Eustatias en Franciscus, monniken van 't Oorthuis sich
geduirig ophouden, dienst doen, collecten aanstellen en de hare
animeren om alle insolentien tot nadeel van Staat en Kerk plegen;
ook de cloppen te Oldenzaal en Enschede de paapsche jeugd
institueeren'. Ondanks zijn 'Paepsche Stoutigheden' is pastoor
Potcamp op 't Groothuys veilig: zijn zuster Geertrui woont er met
haar echtgenote en zij zijn de ouders van de latere aartspriester
van Lingen, Egbertus Groothuys. Al eerder, in 1681, wordt de
illegale pastoor van Hertme aartspriester van Lingen. Vanwege de
vervolgingen kan hij daar niet blijven en hij vestigt zich in het
nabijgelegen Darmsen. Gerardus Potcamp wordt in zijn periode in
Lingen geassisteerd door zijn halfbroer Johan Potcamp en zijn neef
uit Hertme, Egbertus Groothuys. Na zijn benoeming tot Vicarius stelt
Gerardus Potcamp zijn neef aan tot pastoor en aartspriester van
Lingen. Tot Provicarius Apostolicus verheven, sterft de eerste
pastoor van Hertme in Leiden op 16 december 1705, nog voor hij de
bisschoppelijke wijding heeft ontvangen. De priester die zoveel voor
de katholieke geschiedenis van Hertme heeft betekend, ligt begraven
te Warmond. (Foto rechts:
De weerhaan die op de oude kerk van Hertme zat, zit nu op de
Mariakapel aan de Koppelsbrink in Borne)
Hertme
is met het vertrek van Potcamp niet zonder katholieke leiding.
Albertus Beker of Bekkerink komt naar de loverrijke buurtschap. Hij
aanschouwde het levenslicht in Hazelunne, een vlek op de landkaart
van het Duitse
Emsland. Het is een moedig man en dat was geen overbodige
luxe in die dagen, want de oecumene is nog eeuwen verwijderd. Het
verbod van Ridderschap en Steden om kerk te houden, weerhield de
vrome Albertus er niet van toch de Heilige Mis op te dragen op 't
Groothuijs in Hertme (foto
links). En de classicale vergadering in Deventer van
1687 klimt weer in de pen: 'Te Borne, zoo heet het daar, woont een
pape genaemt Albert Beker, op 't Groothuis in boerschap Hertmen, die
daer openbaere dienst doet, daer se ook uit de Heerlijkheit Almelo
en omliggende plaetsen opentlijk bij groote troppen heen lopen'. Maar
de Deventer predikanten deren Albertus Bekkerink niet; hij is een
deugdzaam en fier priester, totdat God hem in 1697 bij zich roept.
Albertus Bekkerink overlijdt op de tiende januari van dat jaar aan
de tering. Op het Rooms-Katholieke bolwerk 't Groothuijs vestigt zich
dan Joannes Lefers. Hij was pastoor in Rijssen geweest en staat
bekend als een nijver zielzorger: '...... een man van grooten,
zichzelf vergetenden ijver'. Onverschrokken vervulde hij zijne
priesterlijke bediening, 'zonder zich om boete of kerker te
bekreunen'. Een man zonder vrees dus, die de katholieken in die
benauwde dagen ook wel nodig hadden. Zo was hij in Rijssen als eens
overvallen en gevangen gezet. Maar hij had zijn straf nog niet
uitgezeten of hij droeg in het openbaar alweer missen op in Zuna en
Enter. Lang is deze dappere priester niet in Hertme: hij sterft in
1709.
Niet alleen 't
Groothuijs was bekend om de bijeenkomsten die er werden gehouden.
Volgens de overlevering wordt ook op een reeds lang verdwenen
boerenplaats, Kotte, kerk gehouden. Deze boerderij lag tussen De
Greve en het Aelderinck.
De legende wil dat na het verbod om hier de Heilige Mis op te dragen
een gouden kruis, dat tijdens de mis werd gebruikt, is begraven. Het
moet liggen in de nabijheid van boerderij het Aelderinck maar is,
alle zoekacties ten spijt, nooit meer teruggevonden.
Nog in hetzelfde jaar dat pastoor Lefers het tijdelijke voor het
eeuwige verwisselde, komt Stefanus de Meijer naar
Hertme. Hij was
geboren te Emmerik. Op de zonnige eerste juli van dat jaar wordt ook
voor de eerste maal een kind gedoopt door deze pastoor. Het is
Eufemia Mollenbroek. Dat die doopplechtigheid plaatsvindt,
symboliseert dat de achttiende eeuw meer vrijheid van godsdienst
brengt. Dat heeft ook andere gevolgen. Zo hebben de priesters tot
dan nooit de bescheiden luxe gekend van een eigen woning, maar namen
ze altijd hun intrek bij parochianen of families, die hun goed gezind waren. Voor pastoor de Meijer ligt dat anders: hij krijgt
toestemming op 'den Kolk' een kerkhuis met woning te bouwen. Het is
dan circa 1715. Van het oprichten van een echte kerk kan nog geen
sprake zijn. Het wordt meer een woning, waarvan een deel dienst doet
als kapel. Maar voor de Hertmenaren, die tot dan aangewezen zijn op
boerenschuren en koetshuizen, is zo'n accommodatie een grote stap
voorwaarts. Het biedt de mogelijkheid om er door de week de Heilige
Mis te lezen. Op zon- en feestdagen wordt de Heilige Mis nog wel
steeds gelezen op 't Groothuijs. De bescheiden kerkwoning op den
Kolk wordt vele jaren later genoemd in een beantwoording van een
Orde en publicatie van Ridderschap en Steden van Overijssel van 11
april 1778. Ridderschap en Steden van Overijssel gelasten dat de
katholieke gemeenten een memorie moeten inleveren van de Roomse
kerkhuizen, kerkschuren of boerenhuizen waar dienst werd gedaan. Het
volgend valt te lezen:
'In het quartier van
Twente 'No.9 ' Borne- in drie boeren-huisen'. Het 1 genaemt Groothuis
in Herten. Het 2 genaemt het Hulscher in Zenderen. Het 3 genaemt het
Wierick op het Bornerbroek en 4 op werkdagen in een kamer of vertrek
onder een dak met het woonhuis van den Roomschen Priester, den kolk
genaemt, gelegen in Herten.
In 1726 telt de 'Bornsche-Hertmesche
Statie' 1290 communicanten.
Door de grote
uitgestrektheid van de parochie krijgt pastoor de Meijer een
kapelaan toegewezen: Gerardus Ensman. In 1737 overlijdt pastoor de
Meijer. Op 10 augustus van dat jaar wordt pastoor Ensman zijn
opvolger. Hij is daarmee de vijfde pastoor in Hertme. Tijdens zijn
pastoraat van 1737 tot 1742 krijgt hij hulp van kapelaan Gerardus
Johannes Hommels, evenals Ensman, geboren te Oldenzaal. Wanneer in
1742 pastoor Ensman overlijdt herhaalt de geschiedenis zich: de
kapelaan wordt zelf pastoor van Hertme. In de praktijk was het in
die dagen zo dat eenmaal per drie weken de mis gelezen werd op het
Groothuijs. De andere twee weken gebeurde dat afwisselend op het Hulscher of op het Wierick.
Onder pastoor
Hommels komt de parochie tot bloei en telt het tussen de 1400 en
1500 communicanten. Pastoor Hommels krijgt zijn broer Ignatius
als
kapelaan. De zuster van de twee gebroeders doet de huishouding. Uit
geschriften blijkt dat de drie een 'voorbeeldig huisgezin' vormen op
den Kolk. Pastoor Hommels, afkomstig uit een rijk Oldenzaals
geslacht, is niet tevreden met zijn woonruimte op den Kolk. Op het
erve 't Bartelink, waar een broer van de priester woont, laat
pastoor Hommels een nieuwe woning met huiskapel bouwen. De
kroonlijst vermeldde het chronicum ACCeDentIMorantI et Abe Vnti
SalVs: Heil hen die hier vertoeven en weer heen gaan. In de Latijnse
spreuk zit een getal verborgen: de letters MDCCLVVIII vormen het
jaartal 1763. Het is het jaar waarin de woning door pastoor Hommels
in gebruik wordt genomen. De huiskapel is in
latere tijd afgebroken en op de plek is het zogenaamde Juffershuis (foto
onder)
gebouwd. De spreuk is in het midden van de jaren zeventig na
grondige restauratie weer aangebracht in de hal van het Juffershuis.
Op erve 't Bartelink hoopt pastoor Hommels zijn levensdagen naar
tevredenheid te kunnen slijten. Bezorgd over zijn kudde, vermijdt
hij alles wat maar enigszins reden kan geven tot plagerijen,
geldboetes of wat voor straf dan ook, opgelegd door de
Drosten.
Zijn laatste levensjaren echter verlopen turbulenter dan waarop hij
hoopt. In het jaar 1774 raken de pastoor en zijn parochie in grote
moeilijkheden, die worden veroorzaakt door de bekering van twee
protestantse meisjes, de gezusters Anna en Geertruida Hesselink uit
Zenderen, woonachtig op het erve 't Hesselt. Op de plek van deze
boerderij staat thans de woning van de familie Dubbelink. De meisjes
waren bij pastoor Hommels gekomen met het verzoek om in de
katholieke kerk te worden opgenomen. Pastoor Hommels is zich ervan
bewust dat een dergelijke bekering verregaande consequenties zou
kunnen hebben voor zijn parochianen en hemzelf. Hij gaat daarom niet
in op het verzoek en raadt de zusjes aan naar een veiliger plaats te
gaan. De meisjes Hesselink laten zich overreden en reizen naar het
bisdom Münster. Zodra dat ter ore komt van de Drost 'den bekenden
dwingeland Sigismund van Heyden Hompesch', wekt dat wrevel. De Drost
zint op wraak en beveelt, na machtiging van de provinciale
regering, op de twaalfde mei 1774, pastoor Hommels de pastorie te
ontruimen en de kerk te sluiten. Hij zal hier, ook nadat hij op erve
't Bartelink een huis met kapel heeft laten bouwen, nog regelmatig
hebben vertoefd. De kerk moet gesloten blijven tot de gevluchte
zusjes terugkeren. Maar daar blijft het niet bij. Amper een week
later, op 20 mei, verbiedt de Drost ook de dagelijkse dienst op 't
Bartelink in Hertme. De meisjes Hesselink keren in 1775 weer terug
naar hun geboorteplaats Zenderen. Voor pastoor Hommels betekent de
affaire, die veel stof had doen opwaaien, het einde van zijn
herderschap: hij krijgt geen toestemming terug te keren op de
pastorie den Kolk en mag ook in de kapel op erve 't Bartelink geen
diensten meer houden.
Een nieuwe priester,
pastoor Henricus Lammerinck, geboren in Reutum, komt naar Hertme om
de parochianen van de nodige zielzorg te voorzien. Als de zusters
Hesselink terug zijn gekeerd in Zenderen, worden ze toch nog heel
onverwacht min of meer gevangen gezet op het kasteel van de Drost in
Ootmarsum (Afbeelding
links:
schilderij van Meindert Hobbema van het kasteel van de Drost te
Ootmarsum). Ze worden er te werk gesteld als keukenmeid en mogen het
kasteel niet verlaten. 'Men drong de weerloze maagden weergalooze
verdraagzaamheid om naar de Protestantsche kerk te gaan. Maar wat
men ook deed om hen tot afval te brengen, heldhaftig en onwrikbaar
stonden de arme slachtoffers vast in de genade des geloofs haar door
God geschonken', zo schrijft Velthuijsen.
In
de nacht van 30 op 31 december 1777 weten ze, na twee jaar op het
kasteel te zijn geweest, te ontsnappen. De twee 'weerloze maagden' vluchten over de
slotgracht, die met een dikke laag ijs is bedekt en verdwijnen over
de grens. De katholieken worden de dupe van de ontsnapping: hun
kerken in Hertme en Ootmarsum moeten sluiten. Pastoor Lammerinck van
Hertme en kapelaan Hamsing, in naam van zijn zeventigjarige pastoor
Helter van Ootmarsum, proberen de meisjes ervan te overtuigen terug
te keren naar Zenderen. Het lukt niet. Uiteindelijk brengt een
beroep op de Staten Generaal in Den Haag uitkomst. We citeren Velthuijsen:
"In den uitersten nood beproefde men een uiterste middel. In naam
van pastoor Helter begaf zich kapelaan Hamsing naar Den Haag en
vervoegde zich bij den ambassadeur van Oostenrijk. Deze deed verslag
van zijn zending en gaf hem de gewisse stukken over. De ambassadeur
zeide hem: 'Wacht tot morgen, dan zal ik de zaak van Ootmarsum op
het tapijt brengen'. Hij deed het en met zulk een goede uitslag dat
de bewindvoerders in Den Haag het gebeurde ten enenmale afkeurden.
Nog denzelfden dag zeide de gezant aan kapelaan Hamsing: Ga spoedig
naar huis, open uw kerkhuis en wees niet bezorgd voor de toekomst.
En inderdaad, op bevel van de Staten Generaal werd het interdict
ingetrokken".
Op Paasdag 1778, de
negentiende april, gaan na bijna vier maanden van lijden, de deuren
van de kerk in Hertme en Ootmarsum weer open. 'En steeg het blijde
alleluja uit de harten van duizenden dankbare zielen ten Hemel'.
Pastoor Hommels sterft op erve 't Bartelink. Het is dan het jaar
1790.
Door de staatkundige moeilijkheden, de twisten tussen Patriotten en
Keezen in de laatste twintig jaar van de achttiende eeuw, raakt de
vervolging van de katholieken meer en meer in het vergeetboek.
Vrijheidsbeginselen dringen steeds dieper door in de bevolking. En
alhoewel de katholieken niet van de ene op de andere dag volledige
vrijheid krijgen, verbetert de situatie zich snel. De katholieken
van Borne maken van deze herwonnen vrijheid dankbaar gebruik en
bouwen een eigen kerk met pastorie aan het einde van het toenmalige
dorp, aan de kant van Hertme. Als in 1785 kerk en pastorie zijn
voltooid laat pastoor Lammerinck zich door de ingezetenen van Borne
overhalen om zijn woonplaats van Hertme naar Borne te verleggen en
vandaar uit ook de buurtschappen Hertme, Bornerbroek en Zenderen te
bedienen. In hoeverre daarbij heeft meegespeeld dat de zielzorger
een nieuwe, riante
en ruime behuizing kreeg aangeboden vermeldt de
historie niet. De katholieken van Hertme en Zenderen protesteren,
zowel bij de wereldlijke als kerkelijke macht, aanvankelijk tegen
het vertrek van hun pastoor. aan Provinciale Staten van Overijssel
wordt het volgende rekwest gestuurd: '...... tot haar innig leedwezen en zielssmerte ondervinden, dat
die van het dorp Borne Requestranten nu wel gaarn zouden willen
noodsaken en dwingen om ook mede van het kerkhuis te Borne en Rooms
priester aldaar gebruik te moeten maken worden in deesen door die
van het dorp Borne bewaarheid het gemeene zeggen, namelijk: Dat die
een vinger heeft al ras de
geheele hand wil hebben'. Uiteindelijk wordt de zaak tot ieders tevredenheid geregeld:
Pastoor Lammerinck wordt de eerste pastoor van de nieuwe opgerichte
parochie Borne waartoe ook Bornerbroek behoort. De buurtschappen
Hertme en Zenderen vormen samen eveneens
een parochie. De in Borne geboren priester Joannes Mulder wordt in
1788 aangesteld als pastoor van Hertme en Zenderen. Een belangrijk
jaar, dat 1788. Want Hertme en Zenderen worden dan officieel als
parochie ingeschreven bij de kerkelijke overheid.
De
dienstmeiden van de Heer (door
Jaap Grootenboer)
Een klein verhaal over twee
Hertmer kloppen
Tenniglo's
klop woonde eens aan de Hertmerweg. Het huis stond dan naast of in
de buurt van de kerk, want daar was een belangrijk deel van haar
bestaan geconcentreerd. Er was niet zoveel over haar te vertellen.
Ze deed, wat van haar werd verwacht. En dat was niet zo veel
eigenlijk. Ze bad trouw en met grote regelmaat, vooraan in de kerk.
En ze liep vooraan in de stoet, als er iemand vanuit het eigen dorp
werd begraven.

Ze had
verder wel een bijzondere gewoonte: Tenniglo's klop werkte namelijk
voor haar dagelijks brood. Ze had een baan bij de textielfabriek van
Spanjaard. En elke dag liep ze het hele eind van Hertme naar Borne.
's Morgens om half zeven ging ze op weg. Voor haar was er echter aan
de Lodieklanden, daar waar de laan ophoudt een bankje gezet. Een
simpele korte paal met een even simpel plankje erop. Mijn
"informant" had het over een kloppenbankje. Daar stopte Tenniglo's
klop, zo halverwege haar wandeling. En ze bad. Elke dag heen en
weer. Op dat bankje zegde zij haar gebed. Haar dagelijks gebed: per
keer, vijf minuten lang!
Als we praten over Tenniglo's klop (of over Miene Meuj, de klop die
in de oude Herberg "De Roskam" woonde aan de Oude postweg), dan
praten we eigenlijk over de laatsten onder de eens zo invloedrijke
kloppen in Nederland, in Twente, in Borne en Hertme. Je komt ze in
de kerkelijke boekhouding tegen als devota filiac, virgines Deo
devote, sacro virgo, filiae spiritualis of gewoon- en meestal- als
"geestelijke dochter". Voor de gewone man en vrouw was en bleef die
in het zwart geklede, wat wereldvreemde vrouw een klop. Een klop,
waarvoor je moest oppassen. Ze waren niet zo geliefd. Ze werden
nogal eens van kwaad beschuldigd. Van roddelarij, van kleine
pesterijtjes. En dat laatste gold evengoed voor onze Tenniglo's
klop. Maar ja, wat wil je? Die toch nog wel honderden kloppen, die
in onze streken zeker hebben geleefd na de zogenaamde "Katholieke
Emancipatie" hadden in feite hun directe functie verloren aan de
Derde Orde. Hun tijd was eigenlijk voorbij . . . .
Als men aan de ouderen vraagt, wat klopjes eigenlijk waren, dan zijn
de antwoorden meestal zo van: "het waren oude vrouwtjes, die,
tijdens de onderdrukking van de Rooms-Katholieke kerk, via
klopsignalen de gelovigen waarschuwden, waar en wanneer er in het
geheim de
Mis werd opgedragen in één van de schuilkerken en -
kapellen in de buurt". Onder andere in het "Spookhuis"op 't
Groothuys in Hertme
(Foto
rechts). Maar de kloppen waren er al vòòr de
Reformatie. Zelfs ook al in ons eigen Twente. In Oldenzaal worden
er al geestelijke dochters gevonden in 1511 en 1517. Ze heetten
toen ook niet direct "klopje" maar droegen één van die prachtige
namen, die hierboven al beschreven zijn. Trouwens, de oorsprong van
de naam "klop" is waarschijnlijk afkomstig van: "Caeli Pulsatrices"
wat zoveel betekent als: "zij die aankloppen aan de Hemel". Philippus Rovenius, die in 1606 Apostolisch Vicaris was en in
Deventer woonde, noemde ze zo. En laten we het daar voorlopig maar
op houden. In de tijd van Philippus Rovenius hadden onze kloppen wèl
een belangrijke functie. Op de eerste plaats was het kloppendom in
die tijd van de Reformatie een goede "vervanging" voor het klooster.
Door de "nood" gedreven, konden die vrouwen, die een religieus leven
wilden leiden, kiezen voor deze vorm. Ze konden dan een belofte
afleggen aan de plaatselijke pastoor. Ze mochten echter wel hun
eigendommen houden en, indien ze dat op een gegeven moment
wilden, ook trouwen. Dat was formeel geen enkel bezwaar. Op de
tweede plaats was het voor de familie aantrekkelijk, als de dochter
des huizes niet naar Westfalen of België ging verhuizen, om alsnog
in een klooster in te treden, maar klop werd. Immers, door het
behoud van de bezittingen, bleef alles binnen de familie.
De belangrijkste tijd voor de kloppen was de Zeventiende eeuw. Toen
waren er ook veel in heel Nederland. Het protest van de
Gereformeerde Kerkcke ten spijt. Ze woonden in Amsterdam, Haarlem en
Breda in groepen bijeen en zijn beter bekend onder de naam "Begijn".
Soms zoveel, dat in Haarlem mannen formeel protesteerden, omdat de
groei van de kloppen een gebrek aan bruiden deed ontstaan. Na de
complete overname van de regering door de Calvinisten is het voorbij
met de groepen bij elkaar wonende kloppen of begijnen en gingen de
kloppen zich als alleenstaanden vestigen. Dat geldt ook voor onze
streken na de val van Oldenzaal in 1626. Dan krijgen die
geheimzinnige vrouwen, die in uiterlijk weinig verschillen van de
dames-van-alle-dag, ook meer betekenis en gewicht. Ze kleedden zich
eenvoudig, droegen nooit sieraden en hielden zich aan de eenvoudige
beloften van armoede en zuiverheid. Belofteformulieren kennen we nog
in het Catherijne Convent in Utrecht.
Waaruit bestond dan hun betekenis en gewicht? Haar belangrijkste
taak was het geven van onderwijs in de Catechismus. Vaak in het
geheim kwamen de kinderen bijeen. Er werd naar buiten toegezegd, dat
de kinderen breilessen kregen. Maar tijdens het breien werd er dan
les gegeven en werden de waarden naar Rooms Katholieke opvattingen
doorgegeven. Deze vorm van lesgeven was overigens gewoon in die
dagen. "Praten en breien tegelijk" heet zoiets. Dat was niet tot
grote tevredenheid van de toenmalige beleidsmakers van onze
provincie Overijssel: de Ridderschap en de Steden. Bij besluit van
22 maart 1719 werd geregeld: "Dat Klopjes niet Onderrichten mogen in
de catechismus der Pauselijke Religie en niet toegelaten worden
onder pretext van een of ander handwerk te leren, het zij in haar
eigen, of andere huizen, zomin aan kinderen als aan oude menschen".
Dichter bij huis! De roemruchte Drost van Twenthe, de graaf van
Heyden Hompesch verbood het ongelijke huwelijk tussen ene Jenne
Paskamp en Hendrik Egbers. Een ongelijk huwelijk is een trouwpartij
tussen twee mensen van verschillend geloof. Dat was in 1772, om
precies
te wezen. Van Heyden Hompesch was bepaald niet zo'n boef zoals ons
door de wat tendentieuze berichtgeving uit het verleden wordt
voorgehouden. Hij was een ambtenaar van het zuiverste water en
voerde in die opzichten de bestaande en rechtsgeldige resoluties
uit. Hij vond wèl, dat het nodig bleek, om de dwaal - leer van Rome
in te dammen. Het toestaan van zo'n huwelijk was in elk geval
rechtmatig te veroordelen, maar tegelijkertijd geeft dat volgens hem
aan, dat het "kwaad van Rome" als maar doorgaat. Die goede
resoluties worden "voornamelijk illusoir gemaakt door de sinistere
streken van de Papen en de Kloppen". Tegen wil en dank had van
Heyden Hompesch een beetje gelijk. Het was vooral aan de kloppen te
danken, dat de Rooms-Katholieken hier, in Twente, via onderricht en
catechismus "bij bleven" in de leer van de Kerk van Rome. De al
eerder genoemde Philippus Rovenius heeft dat zelf ook nadrukkelijk
verklaard. Zonder kloppen geen parochies (of staties, zoals dat heet
in die tijd). Daarnaast waren zij ook de "maatschappelijk werksters"
onder de in het "geheim" levende parochianen. Ze baden voor de
zielen ("Bidjannoakes") begeleidden de stervenden, ze verzorgden
mede de H. Mis en verzorgden de gewaden van de priesters. Ze deden
veel, heel veel. En inderdaad: ze zullen best wel de mensen in het
geheim hebben "opgeklopt" om naar verborgen heilige missen te gaan.
Na de Katholieke Emancipatie en het herstel van de bisschoppelijke
hiërarchie was hun taak in feite voorbij. De Derde Orde deed intree
en velen verdwenen daar in. De Begijnhoven raakten langzaam maar
zeker leeg. Die van Breda en Leuven hebben het 't langst
volgehouden. In onze streken bleven ze nog lang "nasudderen".
Kloppen werden diegenen, die toch niet aan de man konden komen of
die er minder aantrekkelijk uitzagen. Ze waren niet altijd geliefd.
Ze zorgden voor hun eigen boterham, wonend in de kleine woningen,
vaak op het erf of het eigendom van de boer wiens naar ze droegen.
Wie kent niet de "klopjeswoningen" aan de Koppelsbrink in Borne. En
verborgen onder wat bomen staat er nog steeds het klopjeshuis in het
bos van de Meijershof: Meijers-klop woonde daar alleen. Ze sloften
door onze dorpen, Grote Sien en Kleine Sien, Bekkers-klop, de
Bisschopsklop, of Mandjes-Engel. Hun eigenlijke taak was allang
voorbij.
In
Hertme woonde dan een klop in de herberg "De Roskam"
(foto: "Los
Hoes", Roskam aan de Oude Postweg).
Voor
haar was een kamertje annex keuken gereserveerd. En dan natuurlijk
onze Tenniglo's klop, op een steenworp afstand van haar Tweede huis:
De kerk van de Heilige Stephanus. Verder woonde ze in de wat
schamele behuizing bij een boerderijtje. In haar sobere, donkere
dracht liep ze van Hertme naar Borne; elke dag. En halverwege zat ze
neer op dat simpele bankje, wat voor haar in de grond was gedreven.
Een ruwe paal met een plankje als zitvlak. Voor de Christusfiguur,
aan het kruisbeeld genageld aan de Lodieklanden. En daar zat zij.
Elke dag. Vijf minuten. En ze bad. Een beetje rust eigenlijk tussen
het lange werken door. Een beetje meditatie halverwege is toch nooit
weg? Haar bankje is al lang weg. Het kruisbeeld ook. En van de
klopjes is ook niets meer over. De mensen uit de buurtschap kennen
hoogstens nog wat vreemde verhalen. In de parochieboeken van Borne
worden ze op het laatst slechts genoemd tussen de afrekeningen
betreffende genever, de hazen, de partijzen en de brandewijn. "Aan
de Kloppe afgerekend . . . " Klopjes. Ze waren niet altijd
verslingerd aan de luimen en nukken van hun tijd. Een klein protest
in zwart en wit. Ze waren voor mij in elk geval de moeite waard, om
eens lang over hun bestaan na te denken!
